Het was niet zomaar een team. Het was een culturele overname. De Los Angeles Lakers wonnen niet alleen in de jaren tachtig. Ze voerden een show op. Magic Johnson, Kareem Abdul-Jabbar en James Worthy waren de motor. Vijf kampioenschappen. Dat is de kop. Maar het ‘Showtime’-tijdperk betekende iets dat groter was dan ringen.
Pat Riley coachte de stijl. Magie orkestreerde het tempo. Het was flamboyant. Het was spectaculair. Het waren snelle pauzes die aanvoelden als Hollywood-premières. En de menigte was het daarmee eens. Jack Nicholson zat aan de rechterzijde. Beroemdheden stonden langs de tribunes. Het spel voelde elektrisch.
Maar de echte boost kwam uit Boston.
De rivaliteit tussen de Lakers en de Celtics explodeerde. Deze twee reuzen ontmoetten elkaar in de NBA-finale in 1984. En opnieuw in 1985. En nogmaals in 1987. Dit was geen vriendschappelijke wedstrijd. Het was een botsing van tijdperken. Magic Johnson versus Larry Bird. West versus Oost. Flash versus fundamentele zaken.
Deze specifieke strijd bracht de NBA naar nieuwe hoogten. Het aantal kijkers steeg enorm. De competitie werd een must-see tv. Waarom maakte het uit? Omdat het fans een reden gaf om elke week af te stemmen. Het was niet alleen basketbal. Het was een verhaal. En de Lakers uit de jaren tachtig waren de hoofdpersoon.
